Noppes = voor neits.
Bargoens
Veel slappe was = veel geld hebben.
Voor een paar knaken = voor weinig geld.
Mies = verachtelijk.
Uitslover = voordrager.
Mies gasser = verachtelijk iemand.
Linkmiegel = verrader.
Lijsen = geld ontvangen.
Verloenen = verraden.
Verpatsen = verkopen.
Zeperd = verlies hebben.
Versliengenen = verraden.
Rapalje = uitschot.
Schorriemorrie = uitschot.
Begaffelen = uitzoeken.
Vaar = vader.
Cuus = varken.
Kus = tjoem.
Baloutaps = varkenshoofd.
Holpunter = trap onder je kont.
Kleunen = vechten.
Sjorren = trekken.
Kluit = veel.
Barrel =troep ,rommel.
Matten = vechten.