Sjans hebben = het dingen naar de gunsten van een liefdesverhouding.
Bargoens
Snuffelen = stelen.
Sikker = dronken.
Snuffert = neus , gezicht b.v hij valt op zijn snuffert.
Sjlemiel = ongeluksvogel.
Snikkel = mannelijk lid.
Sjoege = kennis.
Slaapmutsje = borreltje voor het slapen gaan.
Slappe was = papier geld.
Slome duikelaar= Scheldwoord voor traag reagerend persoon.
Slijmbal of slijmjurk = scheldwoord.
In de smiezen = in de gaten hebben of houden.
Smoel hebben op = begeren , voorkeur hebben op………
Smoezen = een uitvlucht of leugentje hebben.
Schaken = betrappen.
Schijtlijster = lafaard.
Scheet = koos woordje b.v. lekkere scheet.
Een scheet en drie knikkers = geringe hoeveelheid.
Scheur = vagina.
Scheveninger = iemand die opnieuw verliest hoeft geen rondje te geven.
Schnabbel = bijverdienste
In het schip gaan = opgelicht worden.
Schobberdebonk = klaploper.
Schokken = betalen.
Schorem = slecht volk.