Pikketanis = borreltje.
Bargoens
Poen = geld
Pikkie noga = koosnaam.
Poet = gestolen goed, buit.
Ping ping = geld
Poetjesbaas = heler.
Penoze = onderwereld.
Piraatje= sigaret.
Het is pissen = het is weg.
Pitten = slapen.
Hij is plat = hij is omgekocht.
Plat zingen = zonder instrument op straat zingen.
Platvink = portemonnaie.
Pleite = er van door gaan.
Pleuren= smijten, gooien
Of je een emmer leeg pleurt = wat duur, wat veel.
Pleuris = is een verwensing krijg de pleuris.
Pet = waardeloos.
Piezakken = hard werken.
Petoet = gevangenis.
Pezen = hard werken.
Pianospelen = klein diefstal plegen.
Pico bello. = piekfijn.
Pief = snuiter.
Piechem = klein mannetje, onderkruipsel.