Patjepeeer = poenig persoon.
Bargoens
Oostenrijker = rijk vrijgevig persoon.
Peer = snuiter geschikte peer.
Opengooien = inbreken.
Pegel = gulden
Opfrissertje = een borreltje.
Peiger = dood.
Noppes. = niets
Nor = gevangenis.
Nijf = mes.
Oetlul = stommeling.
In de olie = dronken.
Ome Gerrit = pastoor.
Onderdeur = klein persoon.
Neut of neutje = borrel.
’ N Onderdoortje = brug.
Nicht = homo.
Ongein = misplaatste grap.
Nichtenkit= trefpunt voor homo’s.
Onkel = onnozel.
Nieges = negatieve waardering.
Ontiegelijk = verschrikkelijk.
Hij komt uit nigtevecht. = hij is homo.
Niksnakker = armoedzaaier.
Nokken. = afbreken, sluiten.