Otteren = ploeteren.
Bargoens
Paal = mannelijk geslachtsdeel.
Pak = iemand in het pak nemen iemand oplichten.
Pakkie an = rustig aan.
Pandoeren = geslachtsgemeenschap.
’n Minne patetter = gemeen mens.
Patjepeeer = poenig persoon.
Hij komt uit nigtevecht. = hij is homo.
Niksnakker = armoedzaaier.
Nokken. = afbreken, sluiten.
Noppes. = niets
Nor = gevangenis.
Nijf = mes.
Oetlul = stommeling.
In de olie = dronken.
Ome Gerrit = pastoor.
Onderdeur = klein persoon.
Neut of neutje = borrel.
’ N Onderdoortje = brug.
Nicht = homo.
Ongein = misplaatste grap.
Nichtenkit= trefpunt voor homo’s.
Onkel = onnozel.
Nieges = negatieve waardering.
Ontiegelijk = verschrikkelijk.