Mierenneuker = scheldwoord voor pietluttig persoon.
Bargoens
Miesmacher = iemand die roet in het eten gooit.
Mazzel = geluk.
Mieters = goed.
Mikmak = rommel.
Miskleunen = misslaan.
De mode uit zijn = dood zijn.
Kletsen = rodelen.
Meloet = zo dronken zijn als een meloet.
Meppen = slaan.
Merode = armoede.
Mesjogge = gek.
Besomme = geld.
Majem = water.
Lijp = niet goed bij zinnen.
Mafjanus = sufferd.
Lulletje Rozenwater = halfzachte kerel.
Mafketel = scheldwoord.
Mansen = geld ophalen.
Lullificatie = kletspraat.
’t Helemaal maken = slagen in de opzet.
Lijperik = scheldwoord als geitenbreier.
Lijsen = hoeveel kan ik vangen.
Maleier = uitspraak zo dronken als een maleier erg dronken.
Makkie = makkelijk karwei.