Kanebraaier.=scheldwoord voor domme opschepper.
Bargoens
Jatten= stelen.
Janjurk = scheldwoord voor ’n temerigprater.
Jodenlijm= speeksel.
Jennen= op stang jagen.
Jatmouzen= een kleinigheid stellen.
Jatschore=gestolen goed.
Inkomen = vrouwelijk geslachtsdeel.
Imitatie = bier met limonade gazeuse.
Janboerefluitjes = op de meest simpele manier.
Ingesneden zijn op iemand = bijzonder gesteld zijn op…..
Jan kaas = marineman van lagere rang.
Huis kwijt zijn = niet op zijn gemak zijn.
Jan met de pet = de werkende stand de arbeider.
Jan Rap = gepeupel, uitschot.
Jakes = is vies.
Jan-Grabbel = kleine burger man.
Jatmous = eerste ontvangst van de dag.
Jat= handen.
Van het houtje = katholiek zijn.
Groot-Mokum = Amsterdam.
Aan me hoela = bekijk het maar.
Hotemetoot = de baas van het spul.
Habbekrats = gering bedrag.