Hasses = kop.
Bargoens
Goser = kerel.
Zoele = kerk.
Huis = kiet.
Span die een gok hebben =kijk die een neus hebben.
Daapse = gek.
Spannen = kijken.
Grommetje = kind.
Kloffie = kleding.
Habbekrats = kleinigheid.
Slobber = koffie.
Lorre = kleren.
Matsen = ik zal me best voor je doen.
Maas je murf = je mond houden.
Louge = illegaal.
Bink = jongen.
Snoder = illegale taxichauffeur.
Latcho = jongen .
Jajem = jenever.
Slechte Praktijken = illegale zaken.
Siezen = in de gaten houden.
Beseilen = in de maling nemen.
Vernachelen = stuk maken.
Er in geluist = in de val lopen.
Uppie = in m’n eentje.