Schuif = mond.
Bargoens
Bakkes. = mond.
Kwant = mooi.
Pottentaart = Mottenkop.
Ratsmedee = naar de bliksum.
Voor schut gaan = naar de gevangenis gaan.
Kiele kiele = net aan , net passend.
Scheichelen = lachen.
Gekloft = netjes gekleed.
Heitje = kwartje.
Pleuren = leggen.
Lou = niet.
Nassen = lekker eten.
Gok = neus.
Lekker mokkel = lekker wijf.
Stiekum = listig.
Benenwagen = lopen.
Grommetje = kind.
Kloffie = kleding.
Habbekrats = kleinigheid.
Slobber = koffie.
Lorre = kleren.
Mesjogge = knettergek.
Hoterdebotel =knettergek zijn.
Gedeist = koest houden.